Beginnen met breien: wat je koopt en je eerste steken
Welke wol en naalden je als eerste koopt, de vier handelingen van opzetten tot afkanten, en de drie fouten die iedere beginner de eerste avonden maakt.
Bijna iedereen die met breien begint, begint verkeerd. Niet omdat de techniek zo moeilijk is, maar omdat de eerste aankoop een bol dun, donker, pluizig garen is die er in de winkel prachtig uitziet en waarmee je je eigen steken niet kunt tellen. Je ziet niet wat je doet, je maakt een fout, je kunt hem niet terugvinden, en na een avond ligt het in een la.
Met de juiste eerste bol en de juiste eerste naalden heb je binnen een uur een lapje dat er echt uitziet als brei. Dat is het hele verschil.
Wat je nodig hebt
- Een bol wol van 50 gram in dikte “aran” of “chunky”, in een lichte, effen kleur (5 tot 9 euro)
- Rechte breinaalden van 5 of 6 mm, hout of bamboe, niet metaal (4 tot 8 euro)
- Een schaar
- Een stompe wolnaald om de draad weg te werken (2 euro voor een setje)
- Eventueel een steekmarkeerder of een gewone veiligheidsspeld
Kopen kan bij de Zeeman en de Action voor de goedkoopste bollen, bij de Hema voor iets betere acryl, en bij een lokale wolwinkel of online bij Wolplein en Bijvanck voor echte wol. Voor je allereerste lapje maakt de kwaliteit weinig uit, maar wel de dikte en de kleur: dik garen groeit zichtbaar snel en effen licht garen laat je je steken zien. Zwart, donkerblauw en alles wat harig is bewaar je voor later.
Waarom hout of bamboe in plaats van metaal: op metalen naalden glijden steken er zomaar af, en dat gebeurt bij een beginner ongeveer om de twee minuten. Hout grijpt net genoeg om dat te voorkomen. Het is een verschil van twee euro en het scheelt de helft van je frustratie.
De vier handelingen, in volgorde
- Opzetten. Meet ongeveer een halve meter draad af vanaf het uiteinde, maak daar een lus en schuif die op de naald. Dat is je eerste steek. De rest zet je op met de lange draad, waarbij je iedere keer een nieuwe lus over de naald schuift. Zet er twintig op, niet meer. Een lapje van twintig steken is breed genoeg om iets te zien en smal genoeg om een toer in een paar minuten af te hebben.
- De rechte steek. Steek de rechternaald van links naar rechts door de voorste steek op de linkernaald, sla de draad van achter naar voren om de rechternaald, haal die lus door de steek heen en laat de oude steek van de linkernaald glijden. Meer is het niet, en dat is ook het hele geheim: alle breiwerk bestaat uit deze beweging en zijn spiegelbeeld.
- Blijven tellen. Tel na elke toer je steken. Zitten er ineens eenentwintig, dan heb je er per ongeluk een bijgemaakt, meestal door de draad over de naald te leggen aan het begin van de toer. Dat gebeurt iedereen de eerste dagen. Als je het aan het eind van de toer merkt, kun je het terugvinden; als je drie toeren doorbreit, niet meer.
- Afkanten. Brei twee steken, til dan met de linkernaald de eerste over de tweede heen en van de naald af. Brei er één bij, til weer over. Zo werk je de hele toer af tot er één steek over is, knip de draad op tien centimeter en trek hem door die laatste lus. Met de wolnaald werk je de losse einden een paar centimeter door het werk heen weg.
Doe dit twee of drie avonden achter elkaar met datzelfde lapje. Niet omdat het lapje ergens toe dient, maar omdat je handen de beweging moeten leren maken zonder dat je erbij nadenkt. Pas daarna wordt breien wat mensen erover zeggen: iets wat je erbij doet, terwijl er een serie aanstaat.
De drie dingen die in het begin misgaan
Te strak breien is de meest voorkomende. Je knijpt van concentratie, de steken zitten muurvast op de naald en je moet trekken om er doorheen te komen. Het gaat vanzelf over als je meer ontspant, maar je kunt het versnellen door één naaldmaat dikker te pakken.
Randsteken die uitrekken zijn de tweede: je lapje krijgt slordige lussen aan de zijkanten. Dat komt doordat de eerste steek van elke toer los blijft hangen. Brei die eerste steek gewoon mee in plaats van hem over te halen, dan is het na een paar toeren netjes.
En dan de gaten. Een gat halverwege je werk betekent bijna altijd dat er een steek van de naald is gegleden en een paar toeren is uitgezakt. Dat is te repareren met een haaknaald, maar voor je eerste lapje is het simpeler om te aanvaarden dat hij er zit. Ik heb mijn eerste lapje nog steeds, met drie gaten erin, en dat is precies waarom ik weet dat het toen goed ging.
Wat je als eerste project maakt
Geen sjaal. Dat is het standaardadvies en het is slecht advies: een sjaal is honderden toeren van hetzelfde, en de meeste mensen halen het einde niet. Maak een pannenlap, een washandje van katoen, of een kort buisje dat een muts wordt. Iets van een paar avonden, dat af komt en dat je aan iemand kunt geven. Dat af zijn is bij een nieuwe bezigheid belangrijker dan het resultaat, want het is het enige moment waarop je jezelf bewijst dat je het kunt.