Waarom bijna iedereen in week drie afhaakt bij iets nieuws
De dip na twee weken komt niet door gebrek aan discipline. Over opstartwinst die opdroogt, de mythe van eenentwintig dagen en waarom een kleinere versie van je plan beter werkt.
De eerste week van iets nieuws is nooit het probleem. Je hebt de app gedownload, de schoenen staan bij de deur, het boek ligt open op tafel en je vertelt aan tafel dat je eindelijk begonnen bent. De tweede week gaat meestal ook nog. En dan komt er een dag waarop het regent, of waarop het gewoon niet uitkomt, en die dag valt over. De dag erna valt makkelijker over dan de eerste. Ergens in week drie of vier merk je dat het niet meer bestaat, dat plan van je, en dat je er ook niet meer aan denkt.
Ik heb dat vaker meegemaakt dan ik wil toegeven. Gitaar, Duits, hardlopen, boekhouden bijhouden in plaats van in januari alles tegelijk. Steeds hetzelfde patroon, steeds dezelfde conclusie achteraf: blijkbaar heb ik niet genoeg discipline. Dat is een conclusie waar niemand iets aan heeft, en bovendien klopt hij niet. Wat er in week drie gebeurt, is namelijk vrij goed te verklaren, en het heeft weinig met karakter te maken.
In het begin loop je op nieuwigheid. Alles is nieuw, dus alles levert vooruitgang op. De eerste keer dat je een akkoord pakt zonder te kijken, de eerste keer dat je vijf minuten achter elkaar draaft: dat voelt als winst, en die winst is je beloning. Maar precies dat effect droogt op. Na een week of twee is de opstartwinst binnen en begint het deel waarin je veel moet doen voor weinig zichtbaar resultaat. De inspanning blijft gelijk, de beloning zakt weg. Dat is geen falen, dat is de normale vorm van elke leercurve, en toch voelt het alsof jij het bent die het niet volhoudt.
Daar komt bij dat het begin bijna altijd te groot wordt opgezet. Wie besluit te gaan sporten, begint zelden met tien minuten. Het wordt vier keer per week een uur, want je hebt tenslotte iets in te halen. Zolang het nieuw is, houd je die vier keer vol op enthousiasme. Zodra dat wegvalt, blijkt het plan te zwaar voor een gewone week met een verkoudheid, een deadline en een verjaardag erin. En omdat je jezelf de norm van vier keer hebt opgelegd, voelt twee keer als mislukt in plaats van als twee keer. Dat is het moment waarop mensen stoppen: niet omdat ze niet meer willen, maar omdat ze het gevoel hebben dat ze het al verpest hebben.
De eenentwintig dagen die niet bestaan
Er wordt al decennia rondgestrooid dat je iets eenentwintig dagen moet volhouden en dat het dan een gewoonte is. Dat getal komt oorspronkelijk uit een boek van een plastisch chirurg uit de jaren zestig, die opmerkte dat patiënten ongeveer drie weken nodig hadden om aan hun nieuwe uiterlijk te wennen. Dat is iets heel anders dan een nieuwe gewoonte opbouwen. Later onderzoek naar mensen die een nieuwe dagelijkse routine probeerden aan te leren, kwam op een mediaan van ruim twee maanden voordat het gedrag vanzelf ging, met enorme verschillen per persoon en per gewoonte: van een paar weken tot bijna een jaar.
Ik vind dat een van de nuttigste dingen die je kunt weten voordat je aan iets begint. Niet omdat het motiveert, want dat doet het niet, maar omdat het je verwachting bijstelt. Als je denkt dat het na drie weken vanzelf gaat, dan is week drie het bewijs dat het bij jou niet werkt. Als je weet dat week drie gewoon nog steeds moeite kost, dan is diezelfde week alleen maar week drie.
Wat mij uiteindelijk verder heeft geholpen, is de norm verlagen tot iets wat bijna belachelijk klein is. Niet drie kwartier gitaar, maar de gitaar uit de kast halen en er vijf minuten op spelen. Niet een uur studeren, maar één bladzijde. De truc zit hem er niet in dat vijf minuten veel oplevert, want dat doet het niet. Hij zit erin dat je op de slechte dag ook langskomt. Een slechte dag met vijf minuten telt in je hoofd als doorgegaan, en een slechte dag zonder telt als gestopt, en dat verschil bepaalt of er een week vier is.
Vaardigheid boven voornemen
De tweede verschuiving die bij mij verschil maakte, gaat over waar je op let. Een voornemen is een uitspraak over de toekomst en die kun je alleen maar breken. Een vaardigheid is iets wat je opbouwt, en daarin kun je alleen maar vooruitgaan, ook langzaam. Wie zegt dat hij vier keer per week gaat sporten, meet zichzelf aan een aantal. Wie zegt dat hij wil leren hardlopen zonder buiten adem te raken, meet zichzelf aan iets wat na een gemiste week nog steeds waar is.
Dat klinkt als een woordspel, maar het verandert wat je doet als het misgaat. Bij een voornemen is een gemiste week een streep door de rekening. Bij een vaardigheid is een gemiste week hooguit een week vertraging, en pak je gewoon op waar je gebleven was. Precies om die reden werkt het ook beter om te beginnen met de allersimpelste vorm van iets, en niet met de uitrusting. Wie begint met wandelen zonder eerst de verkeerde schoenen te kopen, heeft na drie weken nog steeds niets verloren als het even stilvalt.
Het derde punt is minder populair, maar wel het eerlijkst: soms is afhaken het juiste antwoord. Niet elk plan dat je in januari maakt is een plan dat bij je leven past. Als het uur dat je nodig hebt er domweg niet is, dan is doorzetten geen deugd maar een manier om jezelf drie maanden lang schuldig te voelen over iets waar je nooit tijd voor had. Dan is het beter om te erkennen dat het nu niet gaat, het bewust te parkeren en een kleinere versie te kiezen die wel past. Dat is iets anders dan opgeven, ook al voelt het in de eerste week hetzelfde.
Wat je daarbij helpt, is vooraf uitrekenen hoeveel tijd het werkelijk kost, inclusief reizen, voorbereiden en opruimen. De meeste mensen die iets naast hun werk oppakken, rekenen alleen met de les of de training zelf en komen er pas in week drie achter dat er anderhalf uur omheen zit. Dat is dezelfde valkuil die zichtbaar wordt bij mensen die studeren naast hun baan combineren: het probleem zit zelden in de studie zelf, maar in de uren eromheen die niemand had ingepland.
En als het onderwerp dat je wilt leren echt studeerwerk is, dan loont het om eerst te leren hóé je leert, voordat je je door driehonderd bladzijden worstelt. Actief herhalen, jezelf overhoren en spreiden over meerdere dagen levert per uur veel meer op dan langer doorlezen, en dat scheelt precies de moeite die je in week drie niet meer hebt. Die aanpak staat uitgewerkt in het stuk over studievaardigheden voor beginners.
Wat mij betreft is de belangrijkste conclusie deze: de dip in week drie is geen teken dat je iets verkeerd doet. Het is het moment waarop het nieuwe eraf is en het gewone werk begint, en dat overkomt iedereen die ooit ergens goed in is geworden. Het enige verschil tussen de mensen die doorgaan en de mensen die stoppen, is dat de eerste groep die week had zien aankomen en er een kleinere versie van hun plan voor had klaarliggen.