begin goed. begin hier.
Eerste huis

Waarom starters later kopen dan hun ouders destijds deden

Jongere generaties hebben meer inkomen en meer vermogen, en toch minder vaak een koophuis. Wat de CBS-cijfers zeggen en wat je er als starter mee kunt.

Bart 7 september 2026 5 min lezen
Sleutels in de voordeur van een woning

Het verhaal dat je overal hoort, is dat het vroeger allemaal makkelijker was: je ouders kochten op hun vijfentwintigste een rijtjeshuis en jij mag blij zijn met een kamer. Nieuwe cijfers van het CBS laten zien dat dat verhaal maar half klopt, en het deel dat niet klopt is opvallend. Jongere generaties hebben op vrijwel elke leeftijd meer te besteden dan hun voorgangers. Ze kopen alleen later een huis.

Twee woorden die je uit elkaar moet houden

Voordat de cijfers ergens op slaan, moeten twee begrippen los van elkaar staan, want ze worden voortdurend door elkaar gehaald.

Koopkracht gaat over je maand. Het is wat je met je besteedbaar inkomen kunt kopen, dus je inkomen na belasting en premies, gecorrigeerd voor hoe duur alles is geworden. Meer koopkracht betekent dat je aan het eind van de maand meer overhoudt of meer kunt uitgeven.

Vermogen gaat over je stand. Het is alles wat je bezit (spaargeld, beleggingen, de waarde van je huis) min alles wat je nog moet aflossen (hypotheek, studieschuld, andere leningen). Je kunt een prima koopkracht hebben en tegelijk een negatief vermogen, en dat is voor veel starters precies de situatie.

Het CBS gebruikt daarbij generatienamen die niet iedereen kent. Generatie Z is geboren tussen 2000 en 2015, millennials tussen 1985 en 2000, de zogenoemde pragmaten tussen 1970 en 1985, generatie X tussen 1955 en 1970 en de babyboomers tussen 1945 en 1955.

Wat de cijfers laten zien

Volgens de cijfers die het CBS deze week naar buiten bracht en die NU.nl op 7 september 2026 samenvatte, hebben jongere generaties op vrijwel iedere leeftijd meer koopkracht dan de generatie ervoor op diezelfde leeftijd. Ook hun vermogen is meestal groter. De belangrijkste reden voor die hogere koopkracht is niet dat de lonen zoveel harder stegen, maar dat huishoudens vaker uit twee verdieners bestaan. Vrouwen zijn vaker en meer gaan werken, waardoor het inkomen van het hele huishouden sterker groeide dan bij bijvoorbeeld de babyboomers.

Aan het begin van het volwassen leven ligt het anders. Generatie Z heeft als jonge twintiger minder vaak een eigen woning, en het CBS wijst daarvoor naar het woningtekort en naar huizenprijzen die voor jongeren simpelweg te hoog liggen. Millennials en generatie Z hebben tot ongeveer hun dertigste ook minder vermogen opgebouwd dan eerdere generaties op die leeftijd. Ze studeren langer, waardoor hun koopkracht tot een jaar of vijfentwintig juist lager ligt dan die van hun voorgangers.

Daarna kantelt het beeld. Millennials zagen hun vermogen als dertiger veel sterker groeien dan oudere generaties toen die dertig waren. De verklaring zit voor een groot deel in de huizenprijzen, die vanaf 2014 stegen. Wie toen al een huis had, zag het vermogen op papier oplopen. Laat je de eigen woning uit de berekening, dan zijn de verschillen tussen generaties een stuk kleiner.

De generatie die het vaakst een koophuis had, zijn de pragmaten. Tussen hun vijfentwintigste en vijfenveertigste bezaten zij vaker een woning dan generatie X en dan de millennials. Op hun negenendertigste had 72 procent van de pragmaten een eigen huis, tegenover ongeveer 65 procent van de twee andere generaties.

Waarom dat allebei waar kan zijn

Op het eerste gezicht spreken die cijfers elkaar tegen: meer geld, en toch minder vaak een huis. De brug ertussen is dat een koophuis in Nederland al jaren geen gevolg is van hoeveel je verdient, maar van wanneer je binnenkwam.

Een huis kopen vraagt twee dingen tegelijk. Je moet genoeg verdienen om de maandlasten te dragen, en je moet genoeg eigen geld hebben voor de kosten die je niet mag meefinancieren: overdrachtsbelasting als je niet onder de startersvrijstelling valt, notaris, taxatie, advies, en het verschil als je meer biedt dan de woning waard wordt getaxeerd. Het eerste is voor veel starters te doen. Het tweede is wat het blokkeert, want daar is spaargeld voor nodig, en spaargeld is nu precies wat je tot je dertigste nog nauwelijks hebt.

Daar komt bij dat elke prijsstijging twee kanten heeft. Voor wie al een huis had, groeide het vermogen vanzelf. Voor wie nog moest kopen, groeide de drempel even hard mee. Dat is geen kwestie van beter of slechter met geld omgaan: het is een verschil in startmoment.

Wat je hiermee doet als je nu begint

Vier dingen die uit deze cijfers volgen en die je zelf in de hand hebt.

  1. Meet jezelf niet aan je ouders op deze leeftijd. Dat is niet zomaar een troostende opmerking, het staat in de cijfers: de generatie die het vaakst jong kocht, kocht in een andere markt. Vergelijk jezelf liever met waar je vorig jaar stond.
  2. Spaar gericht voor de kosten koper, niet in het algemeen. Zet dat bedrag apart van je gewone buffer en geef het een eigen rekening met een naam. Welke kosten dat precies zijn en in welke volgorde ze komen, staat in ons overzicht van de stappen van bod tot sleuteloverdracht.
  3. Reken je studieschuld erin, niet eromheen. Die telt mee bij wat je mag lenen, en langer studeren is precies een van de redenen dat vermogen bij jongere generaties later op gang komt. Hoe de terugbetaling werkt, leggen we uit bij aanloopfase en draagkracht.
  4. Onthoud dat vermogen in stenen geen geld op je rekening is. Een huis dat meer waard wordt, voelt als rijker worden, maar je kunt er de boodschappen niet mee betalen. Houd daarom altijd een aparte buffer aan, ook als de woningwaarde stijgt. Voor spaargeld en beleggingen speelt daarnaast de belasting in box 3 mee.

De cijfers zelf staan op de site van het CBS, dat ze per generatie en per leeftijd publiceert. Handig om even door te bladeren, al was het maar omdat het je een realistischer beeld geeft van waar je hoort te staan dan het verhaal aan de verjaardagstafel.